Onderzoek en behandeling van niet of nauwelijks sprekende kinderen

Al vanaf de geboorte communiceert een kind met zijn omgeving. Aanvankelijk is dat op heel eenvoudige wijze: voelen, ruiken, naar elkaar kijken.

Ook huilen en lachen zijn manieren van communiceren.

De omgeving van een kind reageert door bijvoorbeeld het kindje op te pakken, te troosten door te zingen of te praten tegen het kind. Zo leert een kind al heel vroeg wat communiceren betekent: signalen geven, antwoorden en daarop weer reageren.


In deze vroege communicatie maakt een kind geluidjes, eerst nog zonder betekenis. Vanaf ongeveer 6 maanden gaat een baby brabbelgeluidjes maken. Deze eerste brabbels gaan geleidelijk over naar geluiden met betekenis: de eerste woordjes. In deze periode gaan kinderen ook meer en meer woorden begrijpen. Op die manier komt de spraak- en taalontwikkeling op gang.

Bij sommige kindjes verloopt deze vroege fase in de communicatie niet vanzelf. Een kindje kan het bijvoorbeeld moeilijk hebben met de verschillende manieren van contact maken, of met het maken van geluiden, klanken en woorden.


Bij een uitblijvende of moeilijk op gang komende communicatie is het belangrijk om tijdig de hulp van een prelogopedist in te schakelen. 


Een uitgebreid onderzoek  brengt de spraak- en taalvoorwaarden van uw kindje in kaart. Als het spraak- en/of taalontwikkelingsniveau duidelijk afwijkt van wat normaal is voor die leeftijd, kan er een therapieplan voorgesteld  worden. In therapie zal aandacht besteed worden aan het stimuleren van de verschillende communicatieve voorwaarden van de vroege spraak- en taalontwikkeling.